Skip to main content

Het chagrijn rond exits in de filantropie
In de wereld van ‘private equity’ wordt een exit door alle partijen met gejuich ontvangen: ballonnen, taartje en niet alleen loopt de prosecco bij je binnen… je loopt zelf binnen. Iedereen blij en gelukkig. In de fondsenwereld leeft dit euforische gevoel niet als het woord exit valt. Voor de grantee, de ontvangende partij betekent het vaak dat de zoektocht naar een nieuwe donor moet beginnen en voor het fonds zelf betekent het dat er een eind komt aan de relatie met een grantee ook al gelooft men nog steeds heilig in het belang van het project dat werd ondersteund. Alom chagrijn en ongemak. Hoe komt dit en hoe kan het anders? In mijn boek ‘Filantropie terug naar de Tekentafel’ is dit een van de praktische onderwerpen dat ik behandel.

Bezwaren van een rigide systeem van korte termijn financiering van projecten
Veel fondsen financieren projecten alleen maar voor een paar jaar en doen dan weer iets nieuws: afhankelijkheid moet worden voorkomen en het fonds staat te trappelen om weer iets nieuws met het label ‘innovatief’ te doen. Ik sta hier kritisch tegenover omdat het leidt tot een projectencarrousel: fonds A financiert dat prachtige project met startende ondernemers in Lesotho voor 3 jaar, men stopt en Fonds B neemt het stokje over, vervolgens fonds C en daarna komt de grantee in Lesotho weer aan de deur kloppen bij Fonds A, want zoveel fondsen zijn er niet op aarde die een impuls willen geven aan het bevorderen van ondernemerschap in Lesotho. Ik sta ook kritisch tegenover het ongenuanceerde adagium van fondsen ‘wij doen alleen projecten van 3 jaar’, omdat het voor mij betekent dat de wereld vergeven is van goedbedoelde projecten en projectjes zonder blijvende impact.

Flexibel omgaan met projectduur
Gelukkig zijn er steeds vaker fondsen die op een minder rigide manier omgaan met de lengte van ondersteuning. Men beseft dat er geen quick fix mogelijk is, dat het aanpakken van maatschappelijke problemen of het realiseren van een omvangrijk initiatief tijd kost. En zelfs als iets is gerealiseerd en lopend is, kan het voorzien in een belangrijke behoefte die alleen privaat kan worden gefinancierd. Fondsen zouden wat dat betreft lopende initiatieven, die niet meer het label ‘innovatief’ hebben ook moeten blijven ondersteunen.

Het afscheid nemen van een project partner vraagt om beleid
Ook al is er geen Procustes-bed qua lengte van ondersteuning en ook al zijn fondsen bereid te kijken naar de belangen van de ontvangende partij bij het bepalen van deze lengte, toch zal er vroeg of laat een moment zijn van afscheid nemen van de project partner. Men beseft dan dat het enthousiasme waarmee men als fonds werd begroet toen de relatie begon enigszins bekoelt en omslaat in ergernis of in het beste geval onbegrip bij de ontvanger als het fonds via de exit deur het pand verlaat.
Hoe kan dit anders? Willen we als fondsen exit-beleid scherper formuleren en formaliseren? Doen we dit bij alle projecten of bij de grotere projecten of bij projecten die een tweede vervolg krijgen?

Een exit kan een constructief proces zijn: enkele praktische aanbevelingen
Voorop moet volgens mij staan het besef bij fondsen dat de exit net zo zorgvuldig moet worden georganiseerd als de start van een samenwerkingstraject. Bernard van Leer Foundation heeft een aantal goede ervaringen met exits op een manier dat de achterblijvende organisatie overheersend positief is gestemd over dat proces. Ik denk hierbij onder andere aan de manier waarop na ongeveer twintig jaar (!) betrokkenheid in 2012 afscheid werd genomen van het Caribbean Child Support Initiative. Uit deze en andere soortgelijke ervaringen, zijn een aantal lessen te trekken, zoals.

1. Besteed veel aandacht aan de versterking van de organisatie achter het inhoudelijke project en versterk vooral ook de mogelijkheden van de grantee om op professionele wijze naar buiten te treden;
2. Draag bij aan de ontwikkeling van sterk leiderschap bij de ontvangende partij, inclusief het hebben van een sterk tweede echelon;
3. Faciliteer dat de ‘governance’ van een grantee goed is geregeld met mensen die de financiële verduurzaming van een organisatie als een prioriteit zien;
4. Bouw de financiering van de grantee door het fonds geleidelijk af; een proces van ‘weaning’. Wees realistisch: het op eigen benen staan van een maatschappelijke organisatie is geen sinecure maar is een complex organisch proces;
5. Transformeer de financiering van de grantee door het fonds geleidelijk naar meer ongeoormerkte donaties. Vooral naar het eind van het exit-proces is dit een belangrijke prikkel om op eigen benen te staan;
6. Geef als fonds niet alleen geld maar help de grantee met expertise, platforms en netwerken om op eigen benen te kunnen staan;
7. Begin de discussie met de grantee over een exit niet vijf minuten voor twaalf aan het eind van de rit, maar begin hierover aan het begin van de samenwerking. Geef daarbij een duidelijk tijdpad aan maar heb de flexibiliteit om daarvan af te wijken;
8. Voer de discussie over de exit altijd in samenspraak met de grantee en op basis van respect en gelijkwaardigheid. De wederzijdse verwachtingen over de duur van de betrokkenheid moeten van meet af aan helder zijn. Uiteraard moeten er mogelijkheden zijn om deze verwachtingen tijdens de rit bij te stellen.

Wederzijdse verwachtingen moeten helder zijn
Ik was lid van het dagelijks bestuur van de Council on Foundations in de VS en daar bespraken wij casestudies van onze leden over exits. Een belangrijke les die mij is bijgebleven, is dat de wederzijdse verwachtingen over de duur van de betrokkenheid van fonds en grantee bij elkaar van meet af aan helder moeten zijn. Maar ook dat, als omstandigheden dat vragen, er mogelijkheden moeten zijn om deze verwachtingen tijdens de rit bij te stellen. Het moet getuigen van het succes van een grantee dat een fonds zich kan terugtrekken.

This article is also published by the Dutch Digital Platform on Philanthropy and Social Investments ‘De Dikke Blauwe’ (Walburg Press).

Reserveer mijn boek nu