‘This article by Rien van Gendt en Jan Schinkelshoek was published on 17 February 2018 in De Dikke Blauwe.

Je kunt er op wachten – op verontwaardigde vragen vanuit de Tweede Kamer bij het eerste, beste nieuwe incident, affaire of al dan niet vermeende schandaal bij goede doelen. De brede sector van de filantropie kan sinds jaar en dag op een levendige publieke belangstelling rekenen. Er hoeft zich maar iets voor te doen of iedereen – media, politiek, bestuur, publiek – stort zich er op. Als regel krijgt het fonds, de stichting of de instelling meteen onder uit de zak.

Toegegeven: er gaat wel eens wat mis, lelijk mis zelfs, meer dan ons lief is. En meestal blijkt dan dat het vooral schort aan het vermogen om goed uit te leggen wat zich heeft afgespeeld, wat de afwegingen zijn geweest en waarom men tot het gewraakte besluit is gekomen.

Als wonderolie tegen die kwalen wordt steeds vaker transparantie verkocht. Vooral ‘Den Haag’ verwacht er veel van. Als het gaat om fondsenwervende instellingen en loterijfondsen gaan regering en parlement steeds verder om openheid en verantwoording af te dwingen. Andere delen van de sector, met name die delen die geen beroep doen op het publiek [zoals bedrijfsfondsen en zeker ook vermogensfondsen], dreigen er in mee gezogen te worden. Dat roept weerstanden op. En dat is begrijpelijk.

Wie alles over één kam scheert, is kortzichtig bezig.

Transparantie kan ook averechtse gevolgen hebben. Wie welgestelde particulieren dwingt tot en met naam, adres en telefoonnummer toe bekend te maken, loopt risico’s met privacy en veiligheid. Zo iemand zal zich wel drie keer bedenken alvorens z’n vermogen deels beschikbaar te stellen voor goede doelen. En wie fondsen wil verplichten om buitenlandse projecten met naam en toenaam op een website te zetten, bereikt al evenzeer het tegenovergestelde van wat hij beoogt. Vraag het maar aan NGO’s die in het Rusland van Poetin opereren.

Zeker, er zijn grenzen aan transparantie, meer dan ‘Den Haag’ zich af en lijkt te realiseren.

Maar transparantie is ook een kans. En niet alleen voor fondsen die afhankelijk zijn van de gulheid van het publiek. Ook voor vermogensfondsen die traditiegetrouw graag in stilte goed doen. Gekoppeld aan een zekere kopschuwheid tegen publieke, laat staan politieke ‘belangstelling’ [‘Het is ons geld’], leeft er in dat deel van de goede doelen-sector een soms nauwelijks verholen weerstand tegen transparantie.

Sinds een paar jaar [2011] wordt in de wereld van de vermogensfondsen gewerkt aan een stelsel van validatie, een set regels, voorwaarden en normen die meer inzicht bieden in wat fondsen doen (wie, wat & hoe). Dat lijkt er na veel discussies wel te gaan komen. Maar het is meer ingegeven door defensieve overwegingen [‘Anders grijpt de politiek in’, ‘Wie weet raken we onze ANBI-status kwijt’, ‘Zo houden we kamerleden en journalisten op afstand’, ‘Iets om burgers naar te verwijzen’] dan dat het als kans wordt gezien, laat staan als een impuls voor de toekomst.

Dat is meer dan jammer. In het bijzonder de vermogensfondsen doen zichzelf werkelijk tekort. Er wordt door fondsen – grote fondsen, kleine fondsen, oude fondsen, lokale fondsen – sinds jaar en dag erg veel goed gedaan. Veel mensen weten de weg er heen niet te vinden. Waarom het licht onder de korenmaat gezet?

Het klassieke bescheidenheidsmodel is uitgewerkt. Juist in een tijd waarin de overheid, deels om financiële redenen (financieringstekort), deels uit ideologische motieven (participatiemaatschappij), een stap terug doet, kunnen ook vermogensfondsen een meer dan nuttige rol spelen. De civil society eist z’n rechten op, doe-democratie is meer dan een modieuze gril – fondsen, vermogensfondsen, passen perfect bij die veranderende manier van samenleven.

Er komt een nieuw type vermogensfonds op, fondsen gevoed door welgestelde mensen die met hun vermogen de grote problemen in de wereld [armoede, ondervoeding, opwarming] in de wortel willen aanpakken, fondsen als die van Bill Gates en Mark Zuckerberg. Nauwelijks stilzwijgend nemen dat soort fondsen steeds meer de plek van de politiek over: men bemoeit zich actief met de (internationale) samenleving. Waar halen ze dat recht van? Waarom doen ze wat ze doen? En wat – precies?

Er hoort bij die nieuwe, 21ste eeuwse manier van filantropie een vorm van verantwoording en legimitatie. Inclusief passende, zelfs vereiste openheid. Het zijn zaken die iedereen aangaan en waar iedereen het zijne over moet kunnen zeggen. Zo doe je via transparantie iets aan het ‘democratisch deficit’.

Transparantie is geen wonderolie, maar het is wel een kans, een uitgelezen kans voor de wereld van de goede doelen in het algemeen en voor vermogensfondsen in het bijzonder. Er zitten nadelen aan, maar die wegen – mits gebalanceerd uitgevoerd – niet op tegen voordelen.

Transparantie bevordert samenwerking met andere fondsen en maatschappelijke partners, het is een uitnodiging aan anderen om mee te doen, samen op te trekken. Het verhoogt de kwaliteit, in gesprek met indieners en andere belanghebbenden worden programma’s en projecten alleen maar beter. Het vergroot de geloofwaardigheid van fondsen, immers fondsen verlangen ook transparantie van degenen aan wie zij gelden geven. Het werkt vertrouwenwekkend, het laat politiek, bestuur, publiek en media zien wat er echt gebeurt. Het scherpt de geesten, al werkende weg ontstaat een helderder beeld van wat maatschappelijk nodig is en hoe een fonds er nog beter op kan inspelen. Het werkt inspirerend – voor nieuwe, nog niet bestaande en zelfs oude fondsen.

Nee, het voorkomt  geen Kamervragen. Maar ze zijn wel gemakkelijker te beantwoorden.